Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag is er pas een noodig. Zeg, wat zullen wij morgenavond doen?"

Con slaakte een zucht van berusting. Het draaide er altijd op uit, dat zij het woord opgaf en de tooneeltjes regelde.

„Ik weet het niet," antwoordde zij. „Moeder gaat uit. Wij zullen maar spelletjes moeten doen."

„Hè, waren wij maar op Foxbank!" zeide Bob zuchtend. „Wat hadden wij altijd pret op de zolderkamertjes!"

„Hebben jullie daar niet gewoond?" vroeg Basset. „Wij hebben er eens over gesproken om de menschen, die er nu wonen, te doen gelooven dat het in dat huis spookt."

„O, ja!" riep Con uit, bij dit uitlokkend plan haar teleurstelling omtrent de charade vergetende. „Zouden wij dat niet kunnen doen ?"

„Wel ja, waarom niet?" antwoordde hun logé. „Laten wij morgenavond gaan. Hoe zullen wij het aanleggen?"

„Er moet een witte gedaante onder de boomen in het boschje ronddwalen," zeide Con, terwijl zij haar vingers als klauwen kromde en met een holle stem sprak.

„En wij moeten blauw Bengaalsch vuur hebben!" riep Bob.

„Of in den luchtkoker steunen en kreunen," voegde Edgar er bij, op zijn vroeger voorstel terugkomende. „Ik verwed er wat om, dat wij dien jongen Prescot met weinig moeite zoo bang zullen maken als een wezel. Een poosje geleden heb ik hem gezien en hij had veel van een onnoozelen hals."

Het troepje samenzweerders schoof wat nader bij het vuur in hun vreugd van een complot te smeden.

„Ik zou wel eens willen weten, of wij werkelijk zouden kunnen bewerken, dat die menschen uit het huis gingen," zeide Con.

Sluiten