Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beleefdheid van „den knappen heer" overliet, waarop „de knappe heer" zeide: „welnu, hier is een halve sovereign," en hij gaf haar een koperen knoop. Het gordijn werd dichtgetrokken en het publiek juichte de spelers levendig toe.

Het tweede tooneel gaf een tafeltje en twee stoelen te zien, benevens een flauw brandende stallantaren, opgehangen aan het plafond en een vaatje meel, waarop een etiquette was bevestigd met het woord: „Kruit". De achtergrond werd gedekt dooreen groot vuurscherm en een nauwkeurig toeschouwer zou onmiddellijk in dit tooneel de kajuit van de „Salamander" herkend hebben. Tom Hawser kwam waggelend op, als teeken dat het hevig stormde en de zee hol stond. Hij had nog juist tijd het publiek mede te deelen, dat hij op dit vaartuig was gekomen, meenende, dat het een koopvaardijschip was, en nu tot zijn schrik ontdekt had, dat hij onder een „zeerooversvlag" voer, toen kapitein Doodshoofd met Pieter Pitch opkwam en met een schorre stem om rum vroeg. Tot antwoord zette Tom twee bierglaasjes en een verdacht uitziend fleschje op tafel en ging weer heen.

De roover schonk den vurigen drank, die een verwonderlijke gelijkenis met koude thee had, in, en Pieter en hij namen er een slok van, alsof zij een leelijk geneesmiddel moesten innemen. Toen haalde de kapitein een groote zeekaart voor den dag, sloeg ze op tafel uit en bevond, dat het schip dicht bij het eiland moest wezen, waar hij den verborgen schat dacht te vinden in de gedaante van een kistje juweelen ter waarde van £100.000.

Na nog een paar woorden met Pitch gewisseld te hebben, namen beiden weer een slokje uit hun glazen en zeiden, dat zij weer op het dek gingen. Hierop kwam Tom Hamer, die als hofmeester dienst gedaan scheen te hebben, weer op het

Sluiten