Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, neen, Edgar zou mijn haar in brand steken en het is toch al zoo dun. Het zou mij niet verwonderen, als zij straks binnenkwamen, met één overgebleven wenkbrauw voor hun drieën."

Hubert lachte, maar werd dadelijk weer ernstig.

„Ik kan niet met hen meedoen," barstte hij plotseling uit; „ik weet, dat je broers mij een sukkel vinden, en dat ben ik ook. Ik kan nergens aan meedoen."

„Dat kan je wel; je kunt over boeken meepraten en weet een boel meer dan zij."

„Och, boeken! Die bedoel ik niet. Ik kan niet meespelen bij het voetballen en cricketen en — en ik durf ook niet — ik ben een lafaard."

„Dat ben je niet, ik weet het zeker," was het vlugge antwoord van Con, die echter wel wat geschrikt was zoo'n bekentenis uit den mond van een jongen te vernemen. Zij was even stil; toen kreeg zij een inval en zeide op vroolijken toon, verrukt over haar gezonde redeneering: „je kunt geen lafaard zijn, omdat je er niet tegen opziet, dat zelf te bekennen."

Hubert glimlachte, maar schudde zijn hoofd en zeide; „ik wil het jou wel vertellen, omdat je tot de goede soort behoort, en mij niet zult uitlachen. Toen ik een kind was, ben ik altijd vreeselijk zenuwachtig geweest en nu — nu ben ik altijd bang. Je hebt gehoord, wat Mender daar straks zei ?"

„Dat het te koud voor je was, om naar buiten te gaan?"

„Neen, of juffrouw Beal bij mij wou komen zitten, als ik het akelig vond alleen te zijn. Nu, dat is waar. Ik ben bang als er niemand bij mij is."

„Waarvoor?"

„Och, ik geloof niet dat jij aan spoken gelooft, en wat dat betreft, doe ik het ook niet — ten minste ik deed het niet, tot

Sluiten