Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor eenigen tijd — maar het is in dit huis niet pluis. Toen ik op een avond alleen in de eetkamer zat —"

„O-o-o!" riep Con.

„Wat is er?"

„Niets, ga door, alsjebelieft".

„Ik wou je vertellen, dat, toen ik alleen in de eetkamer zat, ik iemand heb hooren kreunen. Ik ben er zeker van, dat ik het mij niet verbeeld heb, maar er was niemand in de kamer dan ik. Juffrouw Beal was uit, de dienstboden waren in de keuken en Mender was naar zijn slaapkamer gegaan. Het gekreun duurde voort en veranderde toen in geschreeuw. Eindelijk kon ik het niet langer uithouden; ik ging de kamer uit om Mender op te zoeken, dien ik in den tuin vond, waar hij op en neer liep. Maar hij lachte mij uit. Sinds dien tijd ben ik bang ais ik alleen in die kamer zit."

Con gaf niet dadelijk antwoord; toen barstte zij in eens uit: „Och, wat spijt mij dat! Het is alles onze schuld geweest — ten minste van Edgar en mij. Het kreunen deed hij en het snikken en schreeuwen ik."

„Jij!" riep de jongen verbaasd.

In enkele woorden legde Con hem uit, hoe de grap zich had toegedragen, ofschoon ze geen melding maakte van het daarop gevolgd avontuur in het tuinhuis. Zij durfde haar makker bijna niet aankijken, toen zij haar bekentenis aflegde, maar tot haar groote geruststelling scheen Hubert, toen haar verhaal uit was, eerder pleizier te hebben in het geval, dan er boos om te zijn.

„Ik heb geen oogenblik aan den luchtkoker gedacht," zeide hij. „Waarom deden jullie het eigenlijk?"

„Wel," antwoordde het meisje openhartig, „je moet weten,

Sluiten