Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het antwoord was niet zoo afdoend als de jongen gewenscht had, maar hij voelde zich bijzonder vereerd door het aanbod van een sigarette.

„Rookt Hubert?"vroeg hij, even aarzelend voor hij ze aannam. „O neen, maar ik denk, dat de meesten van jullie deugnieten op de Koningsschool het wel zullen doen. je hoeft het niet te vertellen, dat ik er je een gegeven heb. Kom, steek op, het is altijd nog Kerstvacantie."

Meer bereid dan ooit om mijnheer Mender als een joligen kerel te beschouwen, nam Edgar het papieren rolletje aan; het was bijna niet denkbaar dat een man, die een jongen een sigarette gaf, hem met opzet in moeilijkheden zou brengen om een dwazen jongensstreek.

„Ik moet oppassen, dat zij het niet ruiken, als ik thuis kom," zeide Edgar, den rook wegblazende.

„Zeg maar, dat je bij mij hebt gezeten en dat ik rookte," was het antwoord. „Dan jok je niet."

Het gesprek viel van het eene onderwerp op het andere. Terwijl Edgar, achterover in zijn stoel geleund, den rook van zijn sigarette in kringetjes omhoog zag gaan, btgon hij zich hoe langer hoe meer bij den gouverneur op zijn gemak te voelen. Het had er veel van, of het vrienden waren van denzelfden leeftijd en of Edgar heel wat ouder was dan Hubert Prescot, die niet rooken mocht. De jongen begon vertrouwelijk te worden en een onweerstaanbaar verlangen greep hem aan om zijn nieuwsgierigheid op een puntte bevredigen, dat hem sinds den vongen avond voortdurend in de gedachte was geweest.

„Mijnheer," begon hij, „u herinnert u dien man nog wel, die mij dat briefje voor u gegeven heeft? Was dat niet een oom van

ri l inorfQ"

Sluiten