Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mender had, voorover gebukt, het vuur opgepookt. Thans kwam hij plotseling overeind, alsof hij schrikte en staarde een oogenblik met den pook in zijn hand den vrager in stomme verbazing aan.

„Huberts oom!" riep hij eindelijk uit. „Hoe weet je, dat hij een oom heeft?"

„Wel, gisteravond heb ik zijn portret in een album gezien en toen vroeg ik wie het was. Ik vroeg ook of hij onlangs hier was geweest, maar Hubert zei, dat hij al jaren in het buitenland woonde."

De gouverneur gaf geen antwoord, maar stond op en ging de kamer uit; eenige oogenblikken later kwam hij terug met een portretalbum.

„Is het dit?" vroeg hij. „Wijs mij dan eens, welk portret je bedoelt," ging hij voort, toen Edgar ontkennend had geantwoord. Edgar vond het portret en mijnheer Mender staarde er een paar seconden op zonder te spreken.

„Hé," riep hij eindelijk uit, „dat is mij vroeger nooit opgevallen. Het lijkt beslist veel op hem."

„Op wien?"

„Wel, op den man, die je den brief heeft gegeven; maar in alle geval is hij Huberts oom niet."

„Maar dit is hij wel," hieid Edgar vol, met zijn vinger op de photo wijzende. „Hiïbert heeft het mij zelf verteld en ik ben er zeker van dat het de heer is, dien ik in het dorp heb ontmoet."

„Ja, dat portret is de oom van Hubert," antwoordde de gouverneur kalm, „maar je hebt het mis, als je denkt, dat het dezelfde man is, dien je onlangs hebt gezien, ofschoon ik moet bekennen, dat de gelijkenis treffend is. De heer, die je den brief

Sluiten