Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vesten aan en de dames waren ook keurig gekleed."

„Tralala, tralala, tralala!" gilde Con.

„De bakker had de teugels met een touw aan een haak vastgebonden," schreeuwde Edgar; „Con maakte ze los en trok toen zoo hard aan den linkerteugel, dat zij het paard deed keeren en het hek van de Whinfords inslaan. Voort ging het toen, de oprijlaan in en een bloemperk over, waar een groote steenen vaas werd omvergeworpen. Juist had de photograaf een laatsten blik op de groep geslagen en gezegd: „nu stil en onbeweeglijk blijven staan —" toen hij het deksel wegnam en — Con de kar midden door de groep stuurde."

„Goede hemel, wat beteekent al dat leven?" vroeg mevrouw Willis, de kamer inkomende, op het oogenblik dat er een eind kwam aan de geschiedenis en het gezang.

„Och, moeder, Edgar vertelt de historie van de bakkerskar," zeide Con.

„O, is het anders niet, ik dacht dat jullie allemaal niet wijs waren geworden. — Hè, Edgar", ging zij voort, toen zij wat dichterbij kwam, „je jas riekt naar tabak. Je hebt toch niet gerookt?"

„Ik ben bij mijnheer Mender op Foxbank geweest en hij zat te rooken," was het gereede antwoord.

„Het Juweel", die achter mevrouw Willis stond, gaf hem een knipoogje. Edgar bemerkte het, en, waarom wist hij eigenlijk niet, maar het deed hem onaangenaam aan. Hij had de waarheid gezegd en Bassett hoefde hem geen wenk te geven.

Sluiten