Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edgar het briefje had gegeven, gemakkelijk in een armstoel. Uit het feit, dat beiden een eindje sigaar tusschen de vingers hielden, had men kunnen opmaken, dat hun onderhoud al geruimen tijd had geduurd; en de laatste oogenblikken hadden zij beiden zonder spreken in het vuur zitten staren. De groote vreemde heer verbrak het eerst het stilzwijgen.

„Dus," merkte hij op, „het schijnt dat er van ons plannetje om snoek te gaan visschen niets zal komen?"

„Als u ten minste op mijn voorstel ingaat," antwoordde Mender.

„Ik geloof, dat je gelijk hebt," zeide de andere, „ofschoon ik zelf niet van uitstellen houd. Als ik eenmaal een plan gemaakt heb, voer ik het liefst dadelijk uit. Ben je er werkelijk zeker van, dat het noodig is, dat ik mij houd aan hetgeen je mij geschreven hebt?"

„Ja, volkomen zeker."

„Je hebt inij aangeraden niet meer op Chedburry te komen, omdat de jongen, wien ik onlangs dat briefje gaf, mij herkend heeft als den oom van Hubert. Hoe ter wereld is dat kunnen gebeuren ?"

„Hij zag uw portret en vroeg Hubert het een en ander. Hij is een van die jonge Willissen, met wie de jongen bevriend is. Ik heb die vriendschap zooveel mogelijk aangewakkerd om te voorkomen, dat mijnheer Prescot zijn zoon naar school stuurt, want dan zou ik mijn betrekking kwijt zijn geraakt."

„Goed, maar die jongen, hoe-noem-je-hem-ook-weer, heeft die verteld aan mijn neefje, dat hij mij in het dorp heeft gezien?"

„Neen, gelukkig niet," antwoordde de gouverneur. „Edgar Willis heet de jongen. Later vroeg hij mij, of u het origineel was van het portret, maar ik heb hem wijsgemaakt, dat u

Sluiten