Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijzer liep de rijen langs, zette driftig een blauw kruis door verkeerde antwoorden of schreef een groote G door de juiste. Toen de eerste bel luidde, die altijd vijf minuten voor den tijd begon, nam hij zijn puntenboek en doopte de pen in den inktkoker.

„Hoeveel Birch ?"

„Negen, mijnheer."

De vraag en het antwoord volgden elkander schielijk op; bij Bassett gekomen, prevelde hij: „één mijnheer."

En toen volgde een groote verrassing.

„Hoeveel Willis?"

„Acht, mijnheer."

Een onderdrukte kreet van naijver, werd van de achterhoede gehoord. Hoe ter wereld was het mogelijk, dat die knul zooveel sommen goed had! Hij had er één minder dan Birch, en die werd, wat rekenen betreft, als geen gewoon sterveling beschouwd.

„De jongens, die geen vijf sommen goed hebben, komen na het luiden der bel weer op hun plaats, dan zal ik hetzelfde voorstel nog eens op het bord voormaken," zeide mijnheer Keiler, „en niemand mag weg, voor ik vijf goede antwoorden van hem gezien heb."

Bij de tweede bel verliet Bassett het lokaal, inwendig woedend op algebra, mijnheer Keiler en de rest, want hij had afgesproken mee te doen in een cricket-partij met de jongeren, voor etenstijd. Een troep jongens van twee andere klassen kwamen de gang reeds in, en een van hen, baande zich, als een lompe boer, een weg door het gedrang om een vriend in te halen; hij botste tegen Edgar Willis aan, waardoor deze verscheiden boeken liet vallen.

Sluiten