Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodra zij het in haar hand had. Het was ongeveer zoo groot als een cricketbal. Zij voelde over de tafel, de boekenplanken en het vensterkozijn. Eenmaal hoorde zij een zacht en gesmoord gegiegel, zeker omdat zij er dicht bij was.

„Ik ben een boon, als ik weet waar ik ben!" zeide zij eindelijk. „Ik dacht dat de latafel aan den anderen kant van de kamer was."

Hubert begon hard te lachen.

Con ging al tastend met haar vingers over het meubelstuk, waartegen zij haar voet had gestooten. Het voelde zoo vreemd, het bovenste gedeelte was zoo gek, en —

„O! O!" riep Con hijgend uit, „het kan toch niet —"

Zij trok het dasje weg, en daar stond, hoewel zij haar oogen niet gelooven kon, het bewuste meubelstuk, waarnaar zij zoo vreeselijk lang had verlangd - een klein schuifbureau, juist zoo groot als zij het verlangde, met vier laden aan iederen kant van de opening voor de knieën, en de alleraardigste hoekjes en vakjes, die men bedenken kan. Het was van dof eikenhout en bevatte alles wat er voor schrijven noodig was, tot zelfs een pijp rood lak toe.

„Wie heeft dat hier neergezet?" riep Con uit. „Het is toch niet voor mij bestemd?"

„Lees maar wat er op de etiquette staat!" riep Hubert zoo hard hij kon boven de stemmen der jongens uit, die tegelijk begonnen te praten.

Aan een sleutel, die in een der sloten van de laden stak, hing een papiertje, waarop stond: „Voor de „Prof," met vriendelijke groeten van E. P.," en onderaan, was met drie pennestreken een cricketpoortje geteekend, waarvan een paaltje scheef stond. „Dat moet jij je vader verteld hebben!" zeide Con, zich tot

Sluiten