Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

227

„A propos," zeide hij tot Edgar, „ik heb iets van je; ga even mee, dan zal ik het je geven; nu denk ik er om."

Toen zij samen naar huis wandelden, ging mijnheer Mender voort: „je bent in langen tijd niet bij mij geweest."

„Neen," antwoordde Edgar met een lichten blos. „Ik had een naren tijd op school, omdat ik mij aan mijn huiswerk had laten helpen en ik vond het daarom beter het alleen te doen."

„Ik had gedacht, dat je daar wel wat op gevonden zoudt kunnen hebben," antwoordde de gouverneur met een schamper lachje. „Ik hield je voor een jongen, die niet vies was van draaien of streken uithalen. Het herinnert mij aan een poets, die jij mij verleden winter zeker hebt gebakken, door de deur van het tuinhuisje vast te zetten. Kom, beken het maar. Was jij er niet in, toen ik met een vriend in den tuin wandelde en in het huisje wilde gaan, maar er niet in kon?"

De vraag werd schertsend gedaan, zonder eenigen schijn van boosheid.

„Ja," antwoordde Edgar met een gedwongen lachje, „ik geloof het wel, maar dat was, voor wij met Hubert omgingen en ik was bang gesnapt te worden."

„O, dat is van minder belang," luidde het antwoord. „Maar zeg mij eens, je hebt bepaald hooren praten. Niet, dat je voor luistervink hebt willen spelen, maar nu je toch geluisterd hebt, is het niet meer dan billijk, dat je mij precies zegt, wat je gehoord hebt. Ik heb een reden voor deze vraag, die ik je later wel eens zal verklaren."

„Ik heb niets anders verstaan, dan dat u het met iemand over het vangen van snoek hadt."

„Anders niet?"

„Neen, anders niet."

Sluiten