Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXII.

„DEN WILDEMAN" OP HET SPOOR.

Op een Woensdagmorgen zeide mevrouw Willis dadelijk na het ontbijt tegen Edgar: „je moest eens een boodschap voor mij doen, voor je straks naar het strand gaat Ik heb een pond meel noodig."

„Bah, hoe vervelend I" zeide de jongen, maar ziende, dat Bassett op het punt stond wat te zeggen, voegde hij er vlug bij: „goed, moeder, ik ga dadelijk op weg."

De winkel behoefde niet nader aangeduid te worden, want er was er slechts een, die van af de hoeve gemakkelijk te voet te bereiken was. Hij was een van de twaalf huizen, die het plaatsje Nutts Corner uitmaakten en was bij het jonge volkje goed bekend. De kinderen kwamen er nu en dan om voor de pret kleine inkoopen te doen en tegelijkertijd een onderzoekenden blik op den voorraad te werpen, die al het mogelijke onder de zon scheen te bevatten, van spek af, tot schoenspijkers toe.

„Zeg, wil je voor mij wat zout drop meebrengen ?" vroeg Con.

Sluiten