Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewaren, want hij wist, dat jongejuffrouw Constance in de stemming, waarin zij nu verkeerde, niet geneigd zou zijn tot schertsen.

„Wel, wat is er dan aan het handje?" vroeg hij.

„Luister," zeide Con, heel rad sprekend en in het vuur van haar redeneering al rooder en rooder wordende, „die akelige Mender maakt het van kwaad tot erger, en bederft de heele vacantie van Hubert. Gisteravond was de leelijkerd dronken — bepaald dronken. Dat hij drinkt, weten wij, maar zooveel heeft hij nog nooit gedronken. Hubert is vannacht moeten opstaan en het was één uur — en heeft hem naar bed moeten helpen. Hij zegt, dat het niet langer is uit te houden en praat er nu met moeder over, of hij niet eens aan zijn vader zou schrijven."

„Ik zou het al lang gedaan hebben," zeide Bassett, „mij dunkt dat de oude Prescot weten moet, wat voor een man de gouverneur van zijn zoon is."

„Natuurlijk," zeide Con, „en het is niet alleen de whiskey; er is nog wat anders, dat niet deugt, maar Hubert kan niet uitleggen wat. Ik wou, dat wij het wisten of konden ontdekken. Ik vind het akelig dat hij in dat optrekje met zoo'n man alleen woont."

Een plotseling voorgevoel van naderend onheil, kwam bij Edgar op. Hubert zat in angst. Meestentijds was hij, zonder het zelf te weten alleen met een gewetenloozen plannenmaker, die zooals duidelijk bleek, een dubbel spel speelde, waarbij het welzijn van den jongen en de belangen van diens vader gevaar liepen. Ja, hij moest hem bepaald vertellen, wat hij wist.

„Luistert eens," begon hij, hoewel het hem moeite kostte om uit zijn woorden te komen en met een vreemd droog gevoel in zijn keel, „ik geloof, dat ik wat van Mender weet."

Sluiten