Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, ik vind het ook," antwoordde Bassett. „Vooruit, kerel, hou je goed," vervolgde hij tot zijn vriend. „Wij zullen je wel helpen, als het tot een standje mocht komen."

Edgar keek een poos wanhopig rond; hij had een gevoel, alsof hij maar dadelijk in de bremstruiken zou willen wegkruipen en daar tot het eind van de vacantie blijven. Alshij zijn moeder iets vertelde, zou hij haar alles moeten opbiechten; ook zijn twijfelachtige vriendschap met Mender. Wat zou zfj wel zeggen? Wat zou Hubert van hem denken? Wat zou mijnheer Prescot doen, als hij dat nieuws hoorde?

De knaap aarzelde nog, toen hij uit zijn onaangenaam gepeins werd gewekt door Bassett, die de hand op zijn schouder legde.

„Hoor eens," zeide „het Juweel", „daar schiet mij juist te binnen, dat jij die catapult van mij hebt gekregen, het is dus gedeeltelijk mijn schuld; daarom zal ik met je meegaan."

„Neen, dat zal je niet," riep Edgar uit, terwijl hij van den grond opsprong, „ik heb je al eens in de nesten gebracht; ik weet, dat ik een gluiper ben, maar zoo slecht ben ik toch niet, om je voor een tweeden keer van iets te laten beschuldigen, dat ik gedaan heb. Ik loop nu dadelijk naar de hoeve en ga alles vertellen."

Edgar vond zijn moeder en Hubert nog in ernstig gesprek. Mevrouw Willis' gezicht stond treurig en angstig, toen zij omkeek, om te zien wie er binnenkwam.

„Ben jij het, Edgar? Je komt nu niet gelegen, want ik kan niet gestoord worden. Kom over een uurtje eens terug."

„Moeder, ik moet Hubert iets zeer belangrijks vertellen, maar ik moet hem even alleen spreken, al was het maar één minuut." Het was den knaap aan te zien, dat het hem ernst was en na even geaarzeld te hebben, volgde Hubert hem naar den tuin.

Sluiten