Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den rechterkant van het eikenbosch, maar verder werd de stilte door niets verbroken. Voort gingen zij, tot hooge, verwarde doornstruiken, als vormlooze massa's, in het duister vóór hen opdoken, waaruit bleek, dat zij dicht bij de plek waren, waar Edgar,toen zij het bewuste roovertjesspel speelden,het bosch ingegaan was, en Alexander Prescot het pad had zien afkomen.

„Chut!" fluisterde Bassett, plotseling op handen en voeten voortkruipende; Edgar volgde zijn voorbeeld. Ergens, boven hun hoofden, in het struikgewas, hoorden zij fluisteren. „Het Juweel" kroop nu voorzichtig een paar schreden verder naar de dichtst bij zijnde varenstruiken en ging daar, zoo lang als hij was, op het gras liggen, niettegenstaande den zwaren dauw, die als rijp in het maanlicht glinsterde. Edgar deed hetzelfde; hij durfde haast geen adem te halen en spitste zijn ooren om iets van het gemompel te kunnen verstaan:

„Hij zal nu zijn mond wel houden. — Of hij te veel heeft gehad? Wel neen, ik heb zijn pols gevoeld. Help nu een handje en laten wij hem zou gauw mogelijk op den hoogen weg brengen. Och, wat ben jij voor een kerel! Je beeft van je hoofd tot je voeten. Je hebt net zooveel moed als een wezel!"

Hierop hoorden zij een geluid, of twee mannen een zwaar lichaam van den grond optilden, toen langzaam wegstervende onregelmatige voetstappen, struikelend over aardkluiten of varens.

Edgar keek omzichtig op; de mannen liepen nu niet meer door de struiken en hij kon de omtrekken van hun heen en weer waggelende gestalten, duidelijk onderscheiden.

Plotseling voelde hij zich bij zijn arm grijpen en Bassett fluisterde hem toe: „wat moeten wij doen?" Die rakkers

Sluiten