Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben Hubert beet en brengen hem weg! Zij hebben hem bedwelmd, bah, ruik je het niet?"

„Zij gaan het voetpad op aan het eind van de vallei," antwoordde Edgar, „heb je ze niet zoo iets hooren mompelen, dat ze hem op den grooten weg zouden brengen?"

„Het Juweel" dacht even na. „Wij moeten ze in ieder geval niet verder laten gaan," zeide hij, „tot wij hulp gekregen hebben. Vooruit, eerst het bosch door, zoo ver wij kunnen, en dan de heg over, het voetpad op boven het „prieeltje," en dan maken, dat wij daar vóór hen zijn. Zij zullen er niet zoo gauw wezen."

De wedloop, die nu volgde, was niet te vergelijken bij de uitvallen in hun roovertjesspel. Zij stormden door de struiken, bleven aan de dorens haken, vielen somtijds zoo lang als zij waren op den grond, stonden op en holden weer voort. Edgar worstelde achter zijn vriend de steile hellingen van bosch en veld op, en was zoo buiten adem, toen hij den top bereikte, dat iedere ademhaling hem als een mes door de borst sneed. Beide jongens wierpen zich nu op het gras en lagen daar te hijgen als een paar visschcn op het droge.

„Kan jij ze hooren?" vroeg Bassett, toen hij na een poos opstond en naar het voetpad ging, dat langs de hooge varenstruiken liep.

„Neen; zij kunnen nog niet bij de twee boomen zijn. Misschien rusten zij even uit."

„Weet je wat jij doen moest?" zeide „het Juweel," „je moest naar de hoeve gaan, natuurlijk zoo gauw als je voeten je maar kunnen dragen, en den pachter en Tom halen, want, zij zijn daar met hun tweeën en wij zullen niet tegen hen op kunnen. Ik zal ze in den tijd, dat je weg bent, zien af te leiden en een

Sluiten