Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkander slaande, „ik - hm - ik heb eens uw huis bijna inbrand gestoken."

„Wat zeg je daar?" riep mijnheer Prescot verbaasd uit, „ik heb nooit geweten, dat ik het genoegen heb gehad van je gezelschap op Tetcot Hall. O, maar ik begrijp het, je bedoelt de villa op: „De vijf Eiken". Hoe gebeurde dat eigenlijk?"

Stotterend vertelde Edgar nu de geschiedenis van de gebroken lamp, en mijnheer Prescot liet hem uitspreken, tot hij bij het gedeelte kwam van de papieren van waarde, die door het vuur verteerd waren geworden.

Hier viel hij hem plotseling in de rede met de woorden:

„Papieren! Onzin, hoor! Die waren er niet; dat heeft Mender maar gezegd om je bang te maken. Ik vrees dat Hubert niet de eenige jongen is geweest, die door zijn slechten invloed geleden heeft."

„Het spijt mij, dat ik niet eerder heb durven spreken, mijnheer," zeide Edgar met een blos.

„Ja, mij ook, maar in ieder geval heb je toch gesproken, voor het te laat was. Ik heb meer dan je denken kunt aan jou, je broertje, zusje en vriendje te danken en hoop je binnenkort een passend bewijs van mijn dankbaarheid te geven. Intusschen zullen wij de heele geschiedenis van de gebroken ruit vergeten. Toch zou ik je nog wat willen vragen. Om welke reden kwam je toch in mijn tuin om met een catapult door het raam te schieten? Had mijnheer Mender wat gedaan, waar je boos om was?"

„Neen, mijnheer."

„Waarom deedt je het dan ? Komaan, er moet toch een reden voor zijn. Spreek vrij uit, je hoeft niet bang te zijn."

„O, mijnheer, het spijt mij zoo," antwoordde Edgar, wiens

Sluiten