Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als jij weg bent, zet ik geen voet meer binnen het hek. Daar!"

„Het is miserabel vervelend," zeide Edgar kwaad,,nu zullen wij je ook niet bij het cricketen hebben, aanstaanden zomer."

„En ik heb niemand om mij wat boeken te leenen," voegde zijn zusje er met een zucht bij.

„Jullie moeten allemaal bij ons komen logeeren, als wij op Tetcot-Hall terug zijn," zeide Hubert. „Ik zal nooit de prettige daagjes vergeten, die ik hier gehad heb. Jullie zijn zoo aardig voor mij geweest. Roept vader mij daar niet?"

De knaap liep vlug naar de eetkamer.

„Hij is toch een goede jongen," mompelde Edgar, „en wij hebben hem eerst nog wel een suffer genoemd!"

In de oprijlaan werd een rijtuig gehoord en bijna op hetzelfde oogenblik kwam Hubert terug in de hal. „Vader wil jullie goedendag zeggen," zeide hij.

De kinderen begaven zich naar de eetkamer en liepen naar den haard, waar mijnheer Prescot met zijn arm op den schoorsteenmantel stond te leunen.

„De beste vrienden moeten somtijds scheiden," zeide hij vriendelijk, .,en ik hoop, dat wij nu goede vrienden zijn, hoewel ik geloof, dat er wel eens een tijd is geweest, dat jullie niet zoo goed gezind jegens ons waren — of, heb ik het mis?"

„Och, daar moet u nu niet meer aan denken!" riep Con hartelijk uit. „Het was heel dwaas en leelijk van ons, want, als wij er toch niet konden wonen, moest een ander dat toch doen. Als u weg bent, heb ik al aan Hubert gezegd, kom ik dien kant nooit meer uit."

„Nu, dat is nogal een ondoordacht besluit, vind ik," antwoordde mijnheer Prescot lachend. „Ik heb niet veel tijd, want

Sluiten