Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jongens die mettertijd het schouwtooneel der wereld zouden betreden, mochten naar zijne meening niet onkundig zijn in de kunst van den tooneelspeler.

Overal zien wij hem zelf de leiding van de opvoeding in handen houden; met zorg kiest hij de leermeesters en waakt tegen vervelend onderwijs. Niet zelden treedt hij ook zelf als onderwijzer op. Van hem leerden Maurits en Constantyn de letters die hij hun in het vloerzand voorteekende. De muzieknoten weet hij in hun geheugen te prenten door aan de goudzijden knoopjes langs hunne mouwen de namen der noten te geven. Zelf verwerkt hij de regels der syntaxis tot aardige versjes waardoor de knapen ze des te gemakkelijker onthouden.

En bij dat alles welk een hartelijke vertrouwelijkheid tusschen Constantyn en zijne ouders, welk een vroolijke, ongedwongen toon in zijne uitingen jegens hen. Hoe aardig weet de twaalfjarige jongen zijn vader, die hem altijd om verzen vraagt, schaakmat te zetten door de herinnering aan onvervulde beden om geld. „Altijd vader, vraagt gij liederen, altijd epigrammen; wij vragen u om geld; zoo staan wij gelijk. Maar wilt gij het beloofde geld niet geven, wij geven u geen verzen; dan staan wij immers gelijk." Hoe heeft hij zijn vader vereerd en liefgehad; hoe is hij zijn nagedachtenis blijven vereeren tot in zijn hoogsten ouderdom. Nog in 1683 toen hij zelf een grijsaard was, schrijft hij in den aanvang van zijn gedicht Cluys-werck:

wat heeft hij wel geweten Die dertich jaeren schier inijn wyse vader was,

En om de zeventich en vier mij noch te ras Ter tyd uyt wierd geruckt!

Sluiten