Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jorissen gepubliceerd), zoo los en natuurlijk van trant, 7,00 vroolijk en geestig hier, zoo aangrijpend weemoedig elders, die ons de schrijfster zelve doen kennen als een dier aantrekkelijke Hollandsche vrouwen uit onzen besten tijd en tevens doen zien hoe innig de verhouding is tussehen haar en haar zoon, hoe zij hem in alles raadpleegt en vertrouwt, welk een feest zij zich maakt van zijne thuiskomst. Telkens is het: wanneer komt gij toch thuis? „Ik wens u bijster hier en heb u soo wel van doen" (zoo noodig). Broer Maurits heeft het altijd zoo druk; met hem komt zij niet vooruit. Maar Constantyn! „Ick en vont niets goets in uwen brief," schrijft zij hem ergens, „dan dat ghy raeynt haest thuys te zijn, dat God wil geven, want ghy syt hier groot gebreck, in veel dingen heb ick uwen raet van doen." Eens als zij in de kerk is ingedut, waant zij den geliefden zoon in een grauw reispak voor zich te zien staan, zij schrikt van den strakken blik waarmede de verschijning haar aanziet. Snel gaat zij naar huis en nog eer zij het bereikt heeft, brengt de bode haar een brief van Constantyn. „Die hiel in voor d'interpretatie van mijnen droom," schrijft zij, en weemoedig besluit zij: „maer van vader en comen gheen brieven." 1

Nader dan zijne zusters Geertrui en Constance lag hem zijn broer Maurits aan het hart. „Broeder, deel van deze ziele" noemt hij hem in de Opdracht zijner Zedeprinten en dat waren geen holle woorden. Dat blijkt ook reeds uit de eenigszins pompeuze Latijnsche verzen, die de vijf-

i Jorissen, Constantin Huygens, bl. 364.

Sluiten