Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tienjarige Constantyn zijn broer uit Brussel zendt. Als Maurits in 1642 op zijn sterfbed ligt, vraagt hij steeds naar Constantyn die in het leger is maar verwacht wordt. De 82-jarige grijsaard haalt het zich in zijne Sermones nog met weemoed voor den geest, hoe de stervende hem had aangekeken en omhelsd, hoe hij had gelluisterd: „zie ik u dan toch!" In zijn Dagboek teekent Constantyn aan: „Obit 10<* vespertina Unicus frater et amicus meus, constante judicio Christannissimo ad finem. Heu! pulcherrimum, piissimumque finem! Sic iuihi fas, etmeis,omeus Deus! et sileo, quia tu fecisti." Tevergeefs tracht Leonore Hellemans hem tot een bezoek aan Muiden over te halen : „de wond is nog te rauw," schrijft hij haar. En als hij zeven jaren na den dood zijner vrouw zijn jaardag in sombere Latynsche verzen herdenkt, troost hij zich met het vooruitzicht op den tijd, dat hij deze aarde en dit leven zal mogen vaarwel zeggen : dan zal hij God zien en hen die God en het eeuwig leven reeds deelachtig zijn geworden: zijn Maurits en zijne Stella.

Doch de boomen van het Voorhout moesten nog dikwijls groen worden, eer het zoover kwam. Voorshands ontwikkelde Constantyn zich rustig in de deftige omgeving, waarin zijn vader, secretaris van den Raad van State, verkeerde. Slechts op een enkel persoon uit die omgeving, zij het ook de verwijderde omgeving, wil ik hier eenig licht laten vallen: Louïse de Coligny. Christiaan Huygens was [altijd een trouw dienaar der Oranje's geweest. Op een gevaarvolle zending naar Engeland had hij zijn leven voor Prins Willem en de zaak der vrijheid gewaagd. Bij den doop van Maurits Huygens stond Prins Maurits dan

Sluiten