Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nimmer verflauwd zijn, al was soms ondank zijn loon.

Ondertusschen ging hij steeds voort zich te ontwikkelen. Met het Italiannsch werd een aanvang gemaakt en dank zijn buitengewonen aanleg leerde hij het zoo goed, dat hij eenige jaren later als secretaris eener ambassade den Doge van Venetië in die taal kon toespreken. Ook met de studie der rechten waren Maurits en hij begonnen onder de leiding van Suerius, een zwager van hun Vader. Wat nog aan hunne opvoeding ontbrak, de academische vorming, zou spoedig volgen. Den 20en Mei van het jaar 3 616 teekent de oude Huygens in zijn dagboek op: „Maurits en Constantyn, mijne lieve soonen vertrekken naer Leyden in de studie. Godt wiltse wysheyt gheeven en bewaeren." In Leiden heeft hij misschien kennis gemaakt met zijne latere vrienden Van der Burgh en Brosterhuyzen. Zeker heeft hij er de lessen gevolgd van den beroemden Daniël Heynsius niet wien hij later steeds in vriendschappelijke betrekking is gebleven; toen Constantyn eenige jaren later in eene reeks van Zede-printen typen der toenmalige maatschappij had geschetst en daaronder ook den Professor, schreef hij in het voor den drukker bestemde handschrift bij die zedeprint: „dit niet te drukken"; waarschijnlijk hebben eerbied of genegenheid of vredelievendheid hem weerhouden en vreesde hij Heinsius en misschien andere professoren te kwetsen. Lang is hij niet te Leiden gebleven. In Juli 1617 nam hij na eene openbare disputatie afscheid van de Academie en keerde terug naar het ouderlijk huis en zijn geliefd 's-Gravenhage.

Leiden was hem lief geworden, dat blijkt wel uit de Latijnsche distichen die hij „Academiae Sacrum" betitel-

Sluiten