Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vroeger met hem geschapen stond en hij zal slechts zeggen: „Och, is dat den Vrouwen aert?" Zeker, het heeft hem verdriet gekost, doch hij heeft zijne smart door redeneering weten te onderdrukken:

Clachten brengen geen gemack,

't Schreyen can geen tranen Rtelpen.

In de plaats van liefde zal er voortaan vriendschap tusschen hen beiden zijn.

Voor hem zal het verschil tusschen die twee gevoelens geringer zijn geweest dan voor menig ander, want ook in zijne liefde was Constantyn blijkbaar kalm en beredeneerd. Wij mogen hem zeiven zeker wel gelooven waar hij in eenige, waarschijnlijk tot Dorothea gerichte, verzen van het jaar 1618 schrijft:

Is 't quelling sonder vreucht, is 't claghen sonder endt, Is 't Slichten sonder rust daermen de liefde aen kent,

Soo hebbe ick uwen naem, o liefde, noyt geweten.

En in overeenstemming met dat getuigenis zijn andere deelen van dit gedicht, waarin hij den spot drijft met hartstochtelijke liefde en de overdreven wijze waarop zij zich naar den trant dier dagen in allerlei hoofsche vormen en termen uitte:

Wat zien ick ydelheyts ter werelt omme gaen,

Hoe menigh sot geschrey, hoe menich mallen traen Sie ick hier om een leur daer om een vryster storten,

D een is syn leven moed' al zoud' hy 't selver corten ,

De tweede wil in 'tvier al staet hy self in brandt,

De derde roept om hulp aan water, lucht, en landt,

De vierde leyt en loopt met velen en met luvten Voorby een doove deur die niet en hoort syn lluyten Daer staet hy in de koud', de meyt leyt wel en warm Menichmael (wat een spyt!) een liever in den arm.

Sluiten