Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel en syt. Ick heet alleen als men niet thuys en is. Weest verseeckert, dal er één is, die Godt voor Ue sal bidden. Schrijft mijn soo ras als ghij kunt, hoet met Ue is. Ermen song! al ue geest verteert ue vlees." Met die laatste woorden komt haar schalkheid boven. Even moet zij hem plagen: «Dat ghij wat plomper (dikker) waert of wat gerk — het sou u gesonder weesen." Maar dan weer ernstig: „Ick ben soo niet belaijen met Ue siek sijn als daer mee dat ghij soo ras melancolijck sijt." En bemoedigend, maar zóó als men een jongen met wien men het goed meent, op den rug klopt, klinkt het: „Courage, songetgen? het sal wel weesen! De sorghe Godts is over ons aller weegen. Als wy maer kunnen vertrouwen en geloven, soo ist al wel. Godt de Heer wilt Ue bewaeren aen siel en aen lyf." In een vorigen brief lezen wij nog: „Hebjet hert, song', schrijft mijn oock eens soo eens eenen langen brief. Ick meijn dat ick al met den song praet als ick schrijf."

Indien iemand wilde beweren dat in die laatste woorden de stem van het verlangen spreekt, dan zou een meer sceptisch lezer daartegenover kunnen volhouden, dat dit verlangen daarom nog geen liefde behoeft te zijn' geweest of welk ander teeder gevoel ook. Doch zulk scepticisme zou, meen ik, niet voegen bij eene passage als deze: „Ick wou wel dat Mevrou Killegrew m<jn wou seynde (zenden) een cl<jn gouwe rincsken, om voor aen den pinck te dragen of aen een cordeken om den hals, met haer naem daer in; dat ick altoos mocht covtinuee'l dragen, gelijck dat van den song. Want al dat ick van haer heb, dat leg ick snachts af." Op deze mededeeling volgt

Sluiten