Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het handschrift anderhalve regel dien zij doorgekrabd heeft. Wat heeft er gestaan? Het is niet meer te lezen , doch in den gedaehtengang zou zeker passen, wat zij bij het naar bed gaan placht te doen inet Constantyns ring, dien zij altoos draagt. Maar afgezien van deze gissing, is het ongetwijfeld op zich zelf van beteekenis, dat zij naast die doorgekrabde woorden deze kantteekening plaatst: „Ick had hier wat geschreven dat mijn berouwen waer" (waar ik berouw over had).

W as die kantteekening er op berekend, Constantyn aan het nadenken te brengen, of niet? Wie gelooft dat de meisjes van toen te eenvoudig en te rechtuit waren, stelt ze zich mijns inziens te argeloos voor. Doch toegegeven dat de briefschrijfster inderdaad zonder „arge list" was, dan wekt het toch op nieuw argwaan dat wij haar in dezen zelfden brief een eindje verder aan Constantyn hooien vertellen van een rijken vrijer dien zij heeft laten varen: „Het is af van den man met vierhondertdusent gulden. Het en was niet geraden, soo ick Ue noch wel se£gen sal. Dan, daer is al weer een ander op speur: maer die en is soo rijck niet." En vooral, dat zij daaraan toevoegt: „Ick sal eens oi>ges»apt sijn (ik zal nog eens weg zijn) eer ghijt weet. Aan het slot van een anderen brief schrijft zij: Drie vriërs, maar soo leel\jck dat niet noembaer en sijn." Voor mij ligt zoowel in deze mededeeling dat er kapers op de kust zijn, als in dat voorafgaande: ik zal nog eens weg zijn, eer gij het weet, iets als: haast u wat of gij zult te laat komen. Ik erken echter dat wij eerst zekerheid in dezen kunnen verkrijgen, indien wij

Sluiten