Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidelijk zien, hoe welkom hem in later jaren (1651) de bezoeken van dat levendig jonkvolk was; de oudste jongens, Constantyn en Christiaan, waren toen reeds volwassen, Suzanne, de jongste, een meisje van veertien jaar. Als zij kwamen, werd Hofwijck op stelten gezet:

Daer zijn de gasten; flux den Room-pott uyt den Polder,

De Hoonen van den staeck, de Netten van den solder,

De Vyver in 'tgewoel, de Snoecken in de ly,'

Jan Maertsen in de praem ' en elck all even bly,

(Bly met de volle vangst die selden komt te missen Van ongeroofde winst en ongekochte visschen) ,

De Peeren van den Boom, de Lyster uyt de strick,

Elck vrolicker als thuys, elck liesiger dan ick. >

Aan die kinderen had hij getracht eene even voortreffelijke opvoeding te geven als hemzelf van zijne ouders was ten deel gevallen. Zelf gaf hij hun les in onderscheiden vakken en regelde het onderwijs met zorg; op hunne studiën als op hunne gansche ontwikkeling blijft hij vol belangstelling het oog houden, moedigt hen aan, wekt op en verheugt zich als hij ziet dat zij vorderingen maken. Wie op de schilderij van Hanneman in hetMauritshuis de portretten gezien heeft van die aardige jongens met hunne schrandere fijne gezichten, van dat allerliefste kleine meisje in haar wit jurkje en met de blonde krulletjes onder haar mutsje uitkomend, zooals zij daar in medaillons een krans vormen om het portret van hun zwartharige n vader met zijn pittige trekken en levendige oogen ,

1 In benauwdheid.

3 In de schuit.

3 Gedichten IV, 334.

Sluiten