Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die verwondert er zich niet over dat het een genotvolle taak kan zijn geweest zulke kinderen op te voeden.

Van zijne voortreffelijke vrouw had het Lot hem beroofd , maar dit gezelschap was hem toch op den levensweg gebleven, zooals hij zelf naar aanleiding van het bovenvermeld portret zegt.1

Tot een tweede huwelijk kon hij niet komen, hoe dikwijls vrienden en vriendinnen hem daarmede ook aan boord kwamen.2 Indien gij mijne „Sterre" gekend hadt, zeide hij, dan zoudt gij niet verwachten dat ik ooit haars gelijke zou kunuen vinden. Of: een goede vrouw wil ik niet nog eens verliezen; op eene slechte ben ik niet gesteld. „Wanneer gaat gij nu hertrouwen?" was het telkens. „Zoodra als ik dwaas word en geen behagen meer schep in mijne boeken, mijne kinderen en mijne vrijheid," was zijn antwoord. „Voor geene echtgenoote verkoop ik mijne vrijheid," heet het elders. Op een portret van hemzelven waar hij afgebeeld stond met de kleine Suzanna aan de hand, schreef hij:

Schoonen, staat af, 'k ben niet vrij; voor geen weeuwen,

noch voor een maagd ook : Op mijn rechterhand heeft deze beslag reeds gelegd. s

Zoo gaat zijn leven voort tot het einde, druk, vol afwisseling, met telkens terugkeerende verpoozing op Hofwyck.

i Gedichten III, 142.

1 Vgl. o. a. Gedichten III, 4(1, 123, 120, 142, 174 , 288; IV, 16.

3 Gedichten III, 288.

Procul venustae: ne viduis quidem vaco ,

Nedum pucllis: occupata dextera est.

4

Sluiten