Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Freiburg, dan schiet hem te binnen: „langs dezen zelfden weg is eens mijn Erasmus Bazel ontvlucht"; Holbeins portret van Erasmus heeft hij vaak in 't geheim gekust.1 Dat hij, ook daarom, niet buiten den invloed der Renaissance kon blijven, spreekt haast vanzelf. Wij zagen in een vroeger hoofdstuk hoe hij van der jeugd af opgroeide met de klassieken en Latijnsche verzen samenstelde eer hij Hollandsche dichtte. Zijn gansche leven lang blijft hij behagen scheppen in die oefening van het vernuft, zoo passend voor een geest als de zijne. In de Sermones heeft hij krachtig geprotesteerd tegen die heerschappij van het Latijn; maar het protest zelf is in het Latijn geschreven en bovendien schreef hij nog geheele bundels Lalijnsche gedichten en brieven.2 Echter, waar Huygens Latijnsche verzen schrijft, is hij slechts voor een klein deel Hollander, voor de grootste helft is hij een nagemaakte Romein. Wanneer men hem na den dood zijns vaders hoort zeggen: „Mijn jeugd is van mij gevloden, baardeloos jongman ben ik een oud man geworden, enz.")5 dan kan men er zeker van zijn, dat men eene vertaling uit het Latijn voor zich heeft; in zijne moedertaal schrijft hij niet anders dan hij voelt en denkt, niet meer dan hij kan verantwoorden.

Overigens schijnt de kern van Huygens' wezen minder gewijzigd te zijn door den invloed der Oudheid dan men zou verwachten. Zeker, hij heeft de gansche klassieke literatuur „doorkropen," zooals hij zelf zich zou hebben

I Gedichten VII: '21, 22 , 89.

- Redevoering van Prof. Van der Vliet, t. a. p., blz. 13—14,

3 Jorissen, t, a. p., Iilz. 164.

Sluiten