Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij ons voorstelt in een zijner sneldichten getiteld: Eyghm lof ghelooft:

lek hoord' een waerdigh Mann syn' eigen deugden roemen,

Sijn feilen overslaen (een ander moghtse noemen),

God, zeid hij, had hem kloeck geschapen van verstand,

God had hem goed gemaekt, mild-dadigh van de hand , Aensienelyck, geleert, beleeft, soet en mewaerdigh Met mind're gaven meer. Dit vonden vele onaerdigh.

Ick sprak in tegendeel, All zei de Mann noch meer,

Wat waerd' er aen misdaen ? Hij roemt in God den Heer. i

Huygens, zou men geneigd zijn te zeggen, wist wie hij was en wat hij waard was en hij hield er van den volke daaromtrent in te lichten. Doch er spreekt toch geen zelfverheerlijking uit hetgeen hij aan het slot van een ander sneldicht zegt:

'k Bemin mijn selven niet; ick ken mij al te wel. "

Noch uit wat hij in zijn Hofwijck (vs. 2593) erkent: God hebb ick veel vertoornt, geen redelicke Menschen.

En zelfs omtrent zijne zelfkennis is hij sceptisch gestemd. De schrijver der „Zede-printen" die zijne lezers had verzocht hem aan zich zei ven te openbaren, heeft ook later nog erkend :

wy staen ons selven wat te naer

Om rechte ren te sijn van elck syn werek of waer.

Daer hoort wat afstands toe.3

i Ged. Vil, 197 en (in de Sermoncs) VIII, 233, vs. 1164—lltiG.

3 Ged. VIII, 15.

3 Ged. II, 21; VIII, 328.

Sluiten