Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet zonder reden noemde ik op eene vorige bladzijde de mystieken, want bij hen als bij de humanisten leidde zelfbespiegeling vaak tot zelf-iukeer, waaruit weder de neiging tot afzondering en eenzaamheid geboren werd. Thomas i\ Kerapis, een auteur dien Huygens kende en blijkbaar waardeerde, heeft een hoofdstuk zijner Imitalio gewijd aan de „amor solitudinis et silentii" en ook in dezen toont Huygens zich een kind van den nieuweren tijd. In zijn Datjliwerck hooren wij hem zijne Suzanna hoog opgeven van het genot dat er in is, te voet of te paard op eenzame wegen in de omstreken van den Haag te dolen. Wie hem pleizier wil doen, moet hem dan liefst niet in zijne eenzaamheid storen , want, zegt hij in de toelichting op zijn gedicht: „daer is niet quellickers noch gevoelickers dan in sijn' gesochte eenicheid gestoort te werden". En als men hem, 86-jarige, alleen op Hofwyck achtergebleven, aan boord kwam met eene spreuk waarin rijpe volkservaring was saamgevat: „eenieheit is armoe", dan antwoordde hij: die zoo spreken, !veten niet

.... dat d'Eensame, met sijn selven niet verlegen.

Een besigh' Eensaemheit houdt voor een soeten segen.1

Een ander punt waarop humanisten en mystieken elkander ontmoetten, is de gedachte aan de vergankelijkheid van al het aardsche. Doch van dat punt af volgen zij verschillende wegen; want den humanist, wiens blik vooral op deze aarde gericht bleef, bracht deze gedachte in eene elegische stemming, een zachten weemoed over

1 Ged. III, 79 . 84: VIII, 322.

Sluiten