Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds aan het slot van zijn Voorhout vinden wij die ontboezeming tot de „Wieghe van (z)ijn leven," die betuiging van aanhankelijkheid en liefde, die al wat zij is en kan, wil wijden aan den dienst van het vaderland. In de ode van een paar jaar later waaruit ik zooeven een paar verzen aanhaalde, heeft hij den lof gezongen van de

Laegste Landen, hoogste roem,

Van der Landen luyster-bloem.

En ook in zijn later leven verflauwt die liefde niet. 1

Het begrip van vaderlandsliefde, hoe vreemd het ook

schijne, heelt zich bij de volkeren van den nieuweren

tijd ontwikkeld alweer onder den invloed der Renaissance;

evenzoo dat bewustzijn van vaderlandsliefde, dat besef

van een band met ons verleden, van de verplichtingen

die dat verleden ons oplegt, die wij nationaliteitsgevoel

noemen. Duidelijk zien wij dat nationaliteitsgevoel in

Constantyn's hart opgloeien, waar hij het slagveld van

Heiligerlee bezoekt en zijnen landgenooten toeroept:

„treedt met eerbied op dezen grond, brandt wierook voor

het Nassausch bloed hier vergoten". ■

Even duidelijk zien wij in Daghwerck zich eene traditie

vormen, waar h\j zich-zelven en zijne „Sterre" een

„noblesse oblige" vóórhoudt als leus, indien hun leed

mocht overkomen. Bij leed dat te dragen is moeten zij

denken aan den tijd toen

. . , . het vaderland in 't baren Van de vrijheid lagh en kreet:

Doemen sich de scha ml verweet

1 Ged. 11, 24; 1, 235; V, 2114; IV, 292, vs. 101)7.

2 Ged. IV, 142.

Sluiten