Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van een onverhoedsche suchten,

Van een traen gevloeyt in 'tvluchten,

Van een suer gesicht in 't vier,

Aan de pley, 1 in 't smooren schier.

Dan moeten zij bedenken van welke stammen zij spruiten zijn en zich afvragen:

Sou soo welgheboren tack Buijghen onder 't minste pack ? 2

Aan die leus is Huygens getrouw gebleven gedurende zijn gansche leven. De Oranje's heeft hij gediend tot het laatst en met rechtmatigen trots mocht hij zeggen:

lek heb voor Land en Kerck stantvastelijck ghesweet.

Het leed en verdriet is ook zijne deur niet voorbijgegaan, doch nergens vinden wij in zijne poëzie uitingen van moedeloosheid, en al beklaagt hij zich meer dan eens over onrecht hem aangedaan, al treurt hij over zooveel liefs dat hem ontnomen wordt, steeds toont hij zich een man en een Christen. In veel wat zijn volk weervaart, stelt hij beiang. In het jaar 1617 hooren wij hem klagen over de godsdiensttwisten die ons volk verdeeld hielden; dat gedicht is in het Latijn, maar wordt toch gevolgd door eene bewerking in het Nederlandsch. Van dien tijd af vinden wij telkens Nederlandsche of Latijnsche verzen, waarin min of meer belangrijke gebeurtenissen worden herdacht. *

' Pijnbank.

ï Ged. III, 68.

3 Vgl. b. v. Ged. I, 103: II, 60; V, 30; VII, 97; VIII, 76, 82, 08,119.

L

Sluiten