Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inderdaad, het valt niet moeilijk uit zijne gedichten bewijzen bijeen te brengen, die toonen dat het hem ernst was met deze verklaring. Zijne „partijschap" heeft hij duidelijk doen blijken in heftige uitvallen tegen het „belachelijk Rome dat vrije zielen aan strooien banden wil leggen"; tegen de beeldendienaars die voor stok en steen knielen en wanen het recht te hebben van geven en vergeven' de verdwaalde schapen, den onreinen papenschapen-stal. Tot vervelens toe keeren zijne woordspelingen terug op de mis en het mis-doen; recht op dreef komt hij, indien hij een puntdicht op den Paus of een paap kan maken. Niet zelden zijn die aardigheden van twijfelachtig allooi of grof, hoewel niet zonder volkshumor. Zoo vangt een grafschrift op een priester, die tusschen den preekstoel en zijne zitplaats in de kerk begraven was, aan met deze verzen:

Hier stond de beest;

Daer zat hij meest.

Van een „vastelavond-paep" lezen wij:

Heeroom en preeckt maer altemet En Stadigli siet men hem te Pankoeck of te Wafel.

Men magh wel seggen, Heeroom lett Min op de Taflen van de wett,

Als op de wetten van de Tafel.

Hoe is hij in de felheid zijner overtuiging tegen zijne vriendin Tesselschade te keer gegaan, zonder er zich om te bekommeren of zijne minachtende uitdrukkingen over haar geloof haar misschien zouden kunnen kwetsen.1

1 Zie deze en dergelijke verzen in Ged. II, 29,79; III, 153, 194 , 225, 234, 236; IV, 9, 22, 25, 32-33, 282; V, 149, 151, 198, 200, 206; VIII, 282 , 283 , 304, 329.

Sluiten