Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strijdverzen tegen het mis-doen en de goede werken kan men vinden tot in het laatst van zijn leven. Maar toch staan tegenover deze uitingen andere, en feiten die een anderen geest ademen. Huygens moge een bewonderaar van Marnix en een overtuigd Kalvinisi zijn geweest, hij had niet als Aldegonde aan de voeten van Kalvijn gezeten; de felle haat tegen de lioomsch-Katholieken die gloeide in het hart van den Geus der 16de eeuw, was verflauwd, nadat de partij van den opstand had gezegevierd en de beschavende invloed van het humanisme zich sterker deed gelden. Indien Constantyn inderdaad zoo vijandig tegenover de Hoomschen had gestaan, als wij dat uit sommige zijner gedichten zouden willen opmaken, dan zouden wij hem niet op zijn 16<le jaar met zijn vader bij de Jezuïeten te Brussel vinden, noch meer dan dertig jaar later aan tafel zitten bij de Jezuïeten te Antwerpen. Het is wel waar, dat hij in zijne Sei-mones twijfelt, of de Sociëteit van Jezus hare aandacht wel evenzeer wijdt aan de hemelen als aan de aarde, doch de geleerdheid der Jezuïeten schijnt hem toch altijd te hebben aangetrokken, zooals bleek o.a. te Lyon, waar hij kennis maakte met de daar woonachtige leden der orde, terwjjl hij later schrijft over „notre bon petit père Bertet" en „quelques uns de ses excellens collegues".1

In overeenstemming met die feiten zijn een paar uitingen in zijne gedichten, die toonen dat de gedachte aan en de

1 Vgl. Dagboek, blz. 8, 48; Ged. VIII, 220; Lettres du Seigneur de Zuylicliem a Pierre Curneille, publiées par J. A. Wulp, (Paris); Gruningue J. B. Wolters, 18110, p. 34.

Sluiten