Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neiging tot verdraagzaamheid hem niet vreemd waren. In de verzen uit zijn eersten tijd moet men ze natuurlijk niet zoeken: doch in Hofwijck, door hem geschreven toen hij vijf-en-vijftig jaar was, leest men:

'T en is geen Menschen-werck, 't zijn steege beest'lickheden Eens anders niet geweld te binden aen mijn' reden ,

En maken plotselick een vijand van een vrind,

Oindat hy syn Geloof in 't mijne niet en vindt.

W el spreekt hij in datzelfde gedicht een eind verder van „Roomsch Misverstand," doch alleen om te betreuren dat zij „van Sion zijn gescheijen," om verlangend het oog te richten op

dien dagh

Die eens de lieele Cudd' in een koij brenghen magh.'

In dienzelfden verzoenenden geest hooren wij hem 16 jaren later zich uiten:

Mijn Rouinscb-gesinde vriend, laet ons wijs wesen willen,

En niet beginnen daer wij droevigh in verschillen;

Maer daer in ons verstand Eens is en tsamen spant,

En vrolick tegenstaet all ander misgelooven. 3

tn het verwondert ons niet dat wie zoo dacht, reeds in zijn Hofwijck• en later meer dan eens het werk van Thomas it Kempis aanhaalt, dat hij de „rnajesté si simple et si naïtve der Imitatio ook in Corneille's vertaling wist te

• Ged. IV, 305-307.

» Ged. VII, 14T>.

Sluiten