Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

!

die verzen uit zijn Dagh-werck geven den grondtoon zijner toenmalige beschouwing aan.

Hoe anders is dat een jaar of vijftien daarna, waar wij den weduwnaar op zijn 48st™ verjaardag in droevige overpeinzingen verdiept zien: onder tranen is mijn leven begonnen, onder tranen voortgezet en in die stemming zal het eindigen. Heb ik ondertusschen eenige vreugd gekend, het was als een plotseling zonnegloren uit een regenwolk. Zelfs in gedachte zou ik het leven niet tweemaal willen leven.' Van nu af blijft dit de grondtoon, al verleert hij het lachen daarom niet. En naarmate wij Huygens verder vergezellen op zijn levensweg, zien wij dat gevoel van onlust sterker worden. In 1656 spreekt het onverbloemd uit den zestigjarigen man die 's morgens wakker geworden, zich verdrietig afvraagt:

Wat soud ik op doen? leed en ongemack gaen lijden?

Sien wat mij niet en kan verbet'ren noch verblijden ,

En hooren wat mij spijt, en riecken wat mij quelt?

en die eindigt met de woorden:

't en waer de malle pijn,

Die honger heet, ick [wouw wel ongeboren zijn. 2

Acht jaar later zien wjj in het merkwaardig gedicht Rad ran Onrust, hoe ook deze „vermoeide van kracht" gaat verlangen naar het eind: wat heeft het leven hem gebracht? Zeker, hij heeft wel eenige vreugd gekend, hij heeft wat kunnen bijeenbrengen en sparen, heeft kunnen

' III, 325. In Natalem Mntm.

» Ged. VI. 78—7!l.

L

Sluiten