Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als ik al die wonderen voor goede munt aanvaardde," antwoordt Constantyn met een ietwat schamper lachje, „dan zou er wel stof zijn voor eene tweede eomedie":

Alle de monden van all d' Academi Riepen wel, jemini, kindere, jemi,

Waernaerr den eersten staet hier voor zijn huys,

Waernaerr de tweede sitt nefTens 't Raduys. I

Hij laat zich het hoofd niet op hol brengen, laat zich niet overmeesteren, noch door loftuitingen, noch door vreugde, noch door verdriet. Toen Tesselschade in 1647 hare eenig overgebleven dochter Maria had verloren, trachtte zij haar bitter leed te overwinnen door er zich niet in te verdiepen, niet aan hare droefheid toe te geven; maar zij had hare kracht overschat; in die worsteling van wil tegen smart bezweek zij twee jaren later.

Soo berste Tesselscha van wat te veel gedulds

zegt Huygens juist niet fijn. Hij vond dat onverstandig; fleert lyden met beleit" zegt hij tot hen die van iets liets moeten scheiden; had Tesselscha „tydigh willen schreijen," zij leefde nog wel. Zelf heeft hij, voorzoover wij dat kunnen nagaan uit zijn Dagboek en zijne gedichten, in praktijk gebracht wat hij anderen voorhield. In 1672 verliest hij een zijner kleinkinderen, de negenjarige Suzanne Doublet, naar het schijnt een even lief en mooi, als begaafd en rein kind. Er is een toon van droevige berusting in het gedichtje dat haar grootvader den dag na haar

' D. i. het tooneel.

Sluiten