Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood schrijft. Op dienzelfden dag nog maakt hij een puntdicht op dit sterfgeval, eindigend met:

Het kind en is in 'twater niet,

Maer 't water is in 't kind gevallen.'

Zeker, deze grijsaard had al in zoo menige scheiding moeten berusten, in trouwe plichtsvervulling troost moeten zoeken over zoo menig bitter verlies; op zijn leeftijd maakt een sterfgeval ook niet meer dien indruk van vroeger, en bovendien: het was in den geest des tijds, het sterven als den ingang tot een beter leven te beschouwen. Maar toch, een overigens volstrekt niet ongegevoelige grootvader, die daags na den sterfdag van een lief klein-kind zulke woordspelingen kan maken, die moet het ver hebben gebracht in de kunst van zijn gevoel te beheerschen en te onderdrukken; eene kunst waarin geen dichter zich straffeloos oefent. Inderdaad onderscheidt het gevoel van Huygens zich in meer dan een opzicht door gemis aan diepte en fijnheid, is het soms van een grofheid, zooals wij die van iemand uit die kringen en zóó opgevoed niet zouden verwachten. Dat hij in zijne jonge jaren, ondanks zijne vertrouwdheid met de klassieken, meedoet aan die plat-boertige behandeling der antieke mythologie, dat hij op zijn 23stejaar verzen schrijft als deze:

Ken oudt wyflf seyd' my eens hoe dat het kint van Sol (Wat vreemder naem! docht ick) syn Vaertgiens wagen mende,

enz. 2

' Het schijnt mij gewaagd, hier met Dr. Worp, te^en Huygens' voorlaatste vers in, te vermoeden, dat het meisje verdronken is. Eer is zij ovei.eden aan waterzucht.

2 < led. 1, 121).

Sluiten