Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rembrandt bewonderd en zijne grootheid voorzien.1 Maar toch, Huygens blijft ook hier die hij is: Kalvinist en Nederlander.

Ook de schilders heeft hij eene plaats aangewezen in de lange rij van blinden die hij in zijn gedicht Ooghentroost onzen blik laat voorbij trekken. Wie schilders scheppers noemt, vergrijpt zich z. i. aan den Schepper. Op eene wandeling spreken over „een schilderachtig gezicht" is volgens Huygens „derteltjes gepraet" en hij weet daarvoor geene verontschuldiging:

Mv dunckt, sy seggen: God m.aeckt kunstighe Copijen Vjiii ons oorspronkelick en magh sich wel verblijen In 't meesterlick patroon

Wat hij in de schilderkunst hoog stelt, is vooral ook haar nut:

Het soet Pinceelen-werck bemin ick van der Jeugd,

En houd' liet in den Mensch de nutste Konst en Deugd: 't Verganckciicke beeld der schepselen te vesten.

Maar dat nut en die schoonheid zijn hem niet zooveel waard dat hij er geld voor zou uitgeven. Waarom zou ik het doen? vraagt hij. Hebben is het eind van 't pleizier. Zie ik het schoone telkens opnieuw bij een ander, dan heb ik telkens nieuw genot

Kn dat noch beter raeckt, daer 's geen betalen aen,

De sackjens blijven toe, ick sie voor niet met allen. 2

' Bijdr. en Meded. v. h. Hist. Gen. XVIII, 72, 71, 74, 73, 77—78.

2 Vgl. Ged. IV, 100-101; VI, 19, 65: VIII, 72 en VII, 225. ('t Onkostelick Moy).

Sluiten