Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat zien wij ook in zijne beschouwing der vrouw en der Nederlandsche vrouwen van zijn tijd. De vrouwen zijn „minder-menschen", dat staat voor hem even vast als voor Cats en trouwens voor de meerderheid zijner tijdgenooten. Echter was de Huwelijkshater van vroeger in lateren tijd bekeerd en volgens zijn eigen getuigenis heeft hij zich altijd aangetrokken gevoeld tot het vrouwelijk geslacht:

De weecker Menslickheid, het volck met langhe rocken =En bebb ick noyt gehaett: eer heeft het iny betrocken.

Want, seid' ick, keurde God al dat hy maeckte, goed,

Dit 's van den besten slagh het tweede: soud ick laken Dat God gepresen heeft?

Van het beste soort schepsels de tweede kwaliteit, dat is zeker wel iets, doch Huygens heeft zich ook nog op andere wijze over de vrouwen uitgelaten. Het mag vreemd schynen in een man die zulk eene moeder en zulk eene vrouw heeft gehad, die in zijn omgang met Louïse de Coliguy, met Lady Killigrew, met de dochters van Roemer Visscher, met zoovele andere vrouwen en meisjes van geboorte en beschaving, tot hooge waardeering van de vrouwen had kunnen komen, dat hij over het algemeen geen hoogen dunk van hen heett gehad. In een zijner puntdichten , getiteld: Vrouwen Les lezen wy:

Trijn light haer Man en quelt' met vragen riaer den staet Van 's Lands gemeene saeck van buyten en van binnen,

En ut het Vrede blijft, of na den Oorlogh gaet:

Maer hij, seer wijsselick en antwoordt niet als: «Spinnen!"

1 D. i,: ligt haar man te vervelen.

Sluiten