Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van ile toenmalige hoofsche verheerlijking der vrouwelijke schoonheid kon natuurlijk geene sprake zijn bij een dichter die zulk een standpunt innam. Meteen welbehagen dat aan de dooding des vleesches bij de middeleeuwsche asceten herinnert, heeft hij in een Fransch gedicht L''anatomie, Paradoxes en Satyre het beeld eener mooie vrouw ontleed op eene wijze die bewondering en hartstocht in weerzin en walging moest veranderen; eene walging die den dichter na eene opsomming van allerlei vuilheid en viesheid terug doet schrikken van zijne eigen schepping en Clorinde toeroepen:

Va viste te cacher Je me sens defaillir a force de cracher.'

Het is waar, dat Huygens zijn gedicht Paradoxen heeft genoemd, maar in elk paradox is een kern van waarheid. Ook wil ik aannemen, dat hij, toen hij dit gedicht schreef, een jaar vóór zijn huwelijk, reeds min of meer zal verkeerd hebben in de stemming „half droef half toornig" waarin wij hem een halfjaar later op het Huis te Doornik aantroffen; dat hij, er aan wanhopend Suzan na van Baerle tot vrouw te verkrijgen en onmachtig haar beeld uit zijn geest te verjagen, zijne toevlucht heeft genomen tot het procédé door den schilder Wiertz toegepast in zijne belle Rosine — maar toch, zou een dichter van dien tjjd, die eenig gevoel had voor het verheven en rein idealisme dat zich in den middeleeuwschen vrouwendienst en de Platonische opvatting der liefde openbaart, zulke verzen hebben

' Ged. II, 130-142.

Sluiten