Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

titeld Tesselscha boven mijn slaepcamer tot vriend Barlaeus aan wien dat het best besteed was.1 In losbarstingen van zinnelijkheid behoeft Huygens' klucht van Tryntje Cornelis niet onder te doen voor de meeste stukken van dien aard welke door onze kluchtspeldichters vertoond zijn; en dat wil iets zeggen! Ook bij Huygens moet men wel eens denken aan Potgieter's verzuchting: „Ach, hadde Cats maar liever eene tweede vrouw genomen!"

Hoe dat onbeschroomd botvieren van den trek tot het vieze en vuile, dat gestadig opstoken van het vuurtje der sexueele driften in zich en anderen te verklaren in een man als Huygens, wien men toch op grond van zijn leven en zijn werken geen godsdienstzin en geen oprecht geloof mag ontzeggen 1 Naar ik meen, uit eene samenwerking van verschillende oorzaken. Huygens met zijn overwegend verstandelijken aanleg zal het Kalvinisme meer hebben begrepen en voor de waarheid aanvaard, dan gevoekl en zoo in zich opgenomen dat zijn gansche wezen er mede doortrokken was. Weduwnaar geworden in de , volle kracht des levens, heeft hij de hem aangeboren neigingen tot viesheid en zinnelijkheid niet weten te onderdrukken, indien hij daartoe al pogingen heeft aangewend, want van strijd in dat opzicht heb ik nergens iets bij hem gemerkt. Zijn smaak die niet zeer ontwikkeld was, kon hem niet behoeden voor afdwalingen in deze richting. Misschien ook heeft hij dergelijke uitingen onbeteekenend

' Zie o. a. Ged. II, 243, :t07; III, 28, 24, 154, 101; IV, 48, 122, 124; V, 180, 201, 222, 234, 238, 246, 249, 251, 259, 262-265, 284, 287; VI, 11, 23; VII, 188, 272, 318, 322; VIII, 4, 15, 26, 28, 47, 51, 120, 132, 306, 345.

Sluiten