Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude vriendin Anna Maria Schuurman zich bij de secte van De Labadie ziet voegen en, ondanks zijne 73 jaren, fel uitvalt tegen het „tweevoetigh eseltjen", den „weerhaen", den „roervinck" en „geslepen voss", den „stokebrand", den „Franschen haen in 't vrouwhock".1 Maar toch, ook Huygens leest en geniet Thomas a Keinpis, Hall en Udemans. Zijne huiselijke godsdienstoefening doet denken aan die van Cats; evenals Cats heeft hij, in den trant der pietisten, zijn eigen leven verhaald ten behoeve zijner kinderen.3 In beiden zien wij zin voor eenvoud en het natuurlijke gepaard met ruwheid, met pleizier in het vieze en sexueel-zinnelijke. In overeenstemming daarmede is hun gevoel niet fijn evenmin als hun smaak. Laat Cats tot driemaal toe God rijmen op pot, Huygens doel niet voor hem onder met het rijmpaar God snol.3

Dat de verhouding tusschen deze „eenzedigen" doorgaans goed is geweest, verwondert ons niet. Voor den jongen dichter van het Costelick Mul was de veel oudere en toen reeds als dichter beroemde Cats eenigszins een patroon in de literatuur.4 Aan Cats was die satire tegen de weelde opgedragen en deze bezorgde den eersten druk van dat gedicht. In latere jaren is er wel eens eene verkoeling geweest in deze vriendschappelijke verhouding; zoo b.v. omstreeks het jaar 1630 toen de beide vrienden het oneens

1 Ged. VII, 305-307.

* Vgl. Ged. III, 108 en mijn artikel over Cats In -de Gids" 1899, no. 9, bi. 428.

Ged. II, 8, vs. 31—32; in de Zedeprint van Een Goet Predikant,

Dat blykt duidelijk o. a. in Prof. Boots verhandeling over De Latijnsche Brieven van C. Huygens, p. 17.

Sluiten