Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard' zooals Hooft zegt, afkeerig van twist; maar eens er in, geen gemakkelijk tegenstander. De zachtheid van Cats grenst aan flauwheid en weekheid. Beiden waren mannen van groote geleerdheid, maar in veelzijdigheid wint Huygens het, terwijl hij door zijne belangstelling in allerlei kunsten en zijne kunstvaardigheid Cats opnieuw achter zich laat. Beiden hadden zin voor natuur en eenvoud, doch waar Huygens die eigenschappen in anderen mist, durft hij daarvoor onbeschroomd uitkomen, ook al geldt het de predikanten waaronder hij, evenals Cats, vele vrienden telde. Daar waren er die hij hoog stelde, zooals b.v. Ds. Mori, bij wiens overlijden hij in zijn Dagboek aanteekent: „hij was mij als een broeder", Vollenhove, Bornius en anderen. Doch dat verhinderde hem niet de predikanten zijner dagen van tijd tot tijd te kapittelen o^r wat De Génestet in later dagen den „preektoon" heeft genoemd, over het onnatuurlijke van hunne gebaren. Hoe aardig weet hij een nieuwen predikant, die veel menschcn trekt, neer te zetten:

Soet, nieuwe Domine; verheught u niet te seer;

Ghij hebt nu all den loop, als anJere wel eer;

Maer Gunst en is geen Erf en Niew en gaet niet verde;

Daer is geen Sondaghskleed dat niet een Dag'lix werde.

Ln hoe vermakelijk plaagt hij zijn vriend Vollenhove met diens lijmerig-deftige uitspraak en de hebbelijkheid van alle woorden met een sleepstaartje te voorzien :

Mijn Vriendt—e Vollenhoven—e,

't Is niet— e te gelooven—e Dat ghij niet—e verstaet—e Hoe vreemt—e dat het staet—e

Sluiten