Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Secretaris van den Prins; wat er overschoot gaf hij aan Kunst en Wetenschap en aan de kleine beslommeringen en bezigheden van de praktijk des levens. Wat men bij Huygens van dichterlijke roeping kan onderscheiden, toont ons hem als Nederlander en als Christen. In de Opdracht zijner Otia lezen wij: wie zich verdienstelijk wil maken jegens zijn Vaderland, moet het zijne doen tot het opbouwen en vermooien der moedertaal. Toen Barlaeus dan ook in een Latijnsch gedicht Van der Burgh en Brosterhuyzen had opgewekt de Nederlandsche poëzie te aten varen voor de Latijnsche, nam Huygens de verdediging der eerste op zich en betuigde dat hij voor zich in de eerste plaats aan zijn volk behoorde. Die liefde tot zyn land verhinderde hem echter niet, zich ook in de poëzie cosmopoliet te toonen en in ditzelfde gedicht dat cosmo-

pohtisme van een dichter binnen zekere grenzen te verdedigen. 1

Den Christen, den Kalvinist, zien wij in godsdienstige poezie als de talrijke groote en kleine stukken door hem vereenigd onder den titel Bibel-stof en Godsdienst; in een gedicht als Ooghen-troost dat men onder de stichtelijke poezie kan rangschikken, in een hekeldicht tegen de weelde als Costelyck Mal, en verder op zoo menige plaats in .uidere zijner werken waar de moralist op den voorgrond treedt of dringt. Reeds een zgner allereerste proeven i" het schrijven van Nederlandsche verzen, eene vrije vertaling van zijne Latünsclie ode Concordia Discorseindigt

1 Ged. 11, 121 12a; o. a.: vu. 21 »Pnma mei Be,gi8 debetur porüo„ en VS. 42.: "Oriine solum vati patria est, ille incola Mundi".

Sluiten