Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelfs in de klucht van Trijntje Conielis kan de moralist niet achter de schermen blijven, laat hij Trijntje uitvaren tegen het lardeeren van vleesch, al past dat kwalijk in den mond eener Zaandamsche schippersvrouw, en eene Antwerpsche lichtekooi over den aard der vrouwen filosofeeren. 1

Nederlander toont Huygens zich ook waar wij hem in zijne autobiographie over poëzie en zijne eigene verzen hooren spreken: „In mijne Nederlandsche gedichten geloof ik, steunende op eigen gezag en op de vrijheid, die onze moedertaal veroorlooft, eenigszins te hebben bereikt, wat ik bij de meeste anderen te vergeefs zoek, om nl. door het nuttige met het aangename te vereenigen, geene verzen te schrijven arm aan inhoud, dus welluidende nietigheden, noch iets dat kleurloos is, dus zonder dichterlijke woorden en bevallige wijze van uitdrukking."2 Vóór alles moet poëzie degelijk zijn, pit hebben, of zooals wij lezen in een klein stukje uit zijne laatste jaren, getiteld Dichikonst:

Nu zijd'er Maet en Rijm ; daer ick geen Reden vind,

Aclit ick het beste dicht min als een handvol wind. 3

Het verstandelijk element dat in Huygens' persoonlijkheid zoo zeer den boventoon voert, zien wij begrijpelijker wijze ook in zijne poëzie; vandaar dat hij de orde in poëzie zoo op den voorgrond stelt en met zelfvoldoening in zijne autobiographie verklaart: „Waarin ik ook tekort

1 Ged. V, 61 (VS. 344-346), 7:1 (vs. 664-1169: vgl. ook vs. 671).

2 Ged. I, VIII (Volgens de vertaling van Dr. Worp).

3 Ged. VIII, 13."».

Sluiten