Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moge zijn geschoten, op de orde heb ik toch altijd gelet.".1

Maakt Huygens dan, zou men willen vragen, wel onderscheid tusschen proza en poëzie? Want degelijkheid, pit van reden en orde zijn eigenschappen die het proza evenzeer, die juist het proza kenschetsen of ten minste kunnen kenschetsen. Op meer dan eene plaats in Huygens' werken blijkt duidelijk, dat hij over het onderscheid tusschen proza en poëzie wel degelijk heeft nagedacht. Een oogenblik zou men, met het oog op een zijner brieven aan Corneille, kunnen denken, dat hij in dezen staat op een modern standpunt. Wij lezen daar n.1.: „Après tout, Monsieur, vous me debvez accorder que comme tout Poèle chante, toute Poésie debvroit estre bien chantable." * Doch in dat „debvroit" is slechts eene wenschelijkheid of verplichting uitgesproken en of Huygens zou beweerd hebben dat zijne poëzie aan deze verplichting voldoet, betwijfel ik. Tegenover deze eene uitspraak die weinig gewicht in de schaal legt, staan bovendien andere die beter harmonieeren met het karakter van Huygens' poëzie. In eene aanteekening bij zijn Dagli-werck maakt hij onderscheid tusschen poëzie en gerijmd proza: „Daer zijn Dichters die selden Dicht baren, meest onDicht in Rijm." Tot lof van die schijnpoë/.ie, vervolgt hij, pleegt men aan te voeren, dat zij zoo duidelijk, zoo helder is. „Maer wie zoude haer de duysterheyd vergeven? haer Dicht is onDicht". Met andere woorden: dat moest er nog bijkomen! Dat zulke dichters die eigonlijk slechts gerijmd proza

1 Bijdr. en Meded. v. h. Hist. Gen. XVI11, 54.

2 Lettres du Seigneur de Zuyhchern a Pierre Corneille, publiées par J. A. Worp. . . . (Groningue, J. B. Wolters, 1800; p. 20.

Sluiten