Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hackt en speckt vlevervleisch", en wentelt het en keert het Tot Beulingvulsel naer de Keuckenkonst

Zooals men dat „levervleisch" hakt en spekt en wentelt en er „kruydjens van huutgoust tusschen mengt, zoo maakt men ook verzen van „goed" effen tael." 1

Zeker, het zou onbillijk zijn Huygens' gevoelens en meeningen omtrent poëzie te beoordeelen vooral naar deze eene ongelukkige uiting. Doch eene hooge opvatting van poëzie blijkt hier dan toch niet. Trouwens, Huygens met zijn overwegend verstandelijken aanleg, met zijne kalmte en zijn zelf bezit, raakt niet licht in ontroering noch in vervoering; van zweven in hoogere sferen heeft zijn solide geest een aangeboren afkeer, of het moest God en godsdienst gelden; waar het hem al eens gebeurt voor een oogenblik aan zichzelf ontrukt te worden, daar schrikt hij van de hoogte en haast zich weer naar beneden. Zoo zien wij hem in het Costelyck Mal, na eene opwekking tot zijne lezers om mild te zijn en zich schatten te vergaderen in den Hemel, als tot bezinning komen en tot zijn patroon zeggen:

Hoe hebb' ick 't, waerde Cats, hoe raeck ik hier omhoogh ?

Wat heeft mij dus vervoert uyt aller ooghen oogh,

Daer d'ooghen schemeren, daer wasch en wiecken smelten?

Of loert my weer ter hand, oflf cortt mij deze stelten.

Ick struvckel op het landt, wat maeck ick in de lucht?

Het cruypen is my const, wat maeck ick in de vlucht?'

Waar hij in veel later jaren in Hofwijck nog eens van zijn eschdoorn-pleintje opwaarts stijgt, erkent hij wel, dat

' Ged. VIII, 172.

» Ged. 1, 253.

Sluiten