Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vriend stelde als prozaschrijver eu als dichter. Doch dat dit viertal wel genoemd wordt, zegt in allen gevalle iets. Breeroo krijgt in 't voorbijgaan een beleefden groet in dit vers:

De Spaensche Brabander is van de beste klachten '

Jan Vos, de beschermeling van vriend Barlaeus ontvangt een complimentje evenals Huygens' bewonderaar Westerbaen. Bij lofdichten op poëtasters als Van Someren. Van Oosterwyck en Sweerts zal men in aanmerking moeten nemen, dat het hier stichtelijke poëzie geldt en dat Huygens, in overeenstemming met verreweg de meeste zijner tijdgenooten, vroomheid evenals geleerdheid in poëzie eene verdienste acht. Kon Huygens het voor zich zeiven verantwoorden dat hij de poëzie van rijmers als Pels en Buysero „sierlyck" noemde? Misschien niet ten volle; men was over 't algemeen toentertijd niet karig met lof. Echter maakt het grafschrift op Antonides met dezen slotregel:

Och! edel Hand en Hoofd, zijt ghij soo vroegh gaen leggen ?

wel den indruk van gevoeld te zijn.

In hoeverre men ook eenigszins in twijfel moge verkeeren omtrent Huygens' waardeering van de verdiensten zijner dichterlijke tijdgenooten, het blijkt duidelijk genoeg dat hij Vondel, ook toen reeds door velen in zijne grootheid erkend en later door zijn volk als grootste dichter gehuldigd, dat hij Vondel over het algemeen niet hoog

1 Ged. IV, 181.

Sluiten