Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indien het hem te ongewoon klinkt; door eene zijner woordspelingen welker waarde hij gering schat of voorbijziet.1 Toen Vondel Roomsch geworden was, kon Huygens evenals vele zijner rechtzinnige landgenooten ook den dichter in hem niet meer waardeeren; over geen der grootere of kleinere meesterwerken, door Vondel na 1641 voortgebracht, vinden wij bij Huygens een woord. In 1646 doet Vondel eene poging om de banden van voorheen weer aan te knoopen en draagt Huygens zijne proza-vertaling van Virgilius op met een min of meer onderdanig briefje. Of Huygens geantwoord heeft, is niet bekend. Maar vriendelijk was zijne stemming blijkbaar niet. In bet begin van datzelfde jaar had hij de Altaergeheimnissen een „misdracht" genoemd en de onvermijdelijke woordspeling van mis doen weer eens ten beste gegeven. Een jaar of drie later haalt hij, naar het schijnt, iets uit Vondels vertaling aan, maar hij noemt den vertaler „Men." ■

Wat tot dusver is uiteengezet in antwoord op de vraag: wat was de poëzie voor Huygens? behoeft aanvulling uit hetgeen hij zelf ons mededeelt aangaande het ontstaan zijner poëzie en de indrukken door zijn eigen werk op

' Vgl. daarover Oiid-Hnlland 18N4, 29G.

2 Vgl. Ged. IV. 181, vs. 63—70 met De Werken van ./. v. d. Vondel (ed. Van Lennep-Unger) 1646 *, bl. 17. Voor de overige in de vorige bladzijden aangehaalde plaatsen die niet in eene noot zijn aangewezen, verwijs ik naar Ged. IX, p. 18X-191, p. 105-220.

Kr zijn nog een paar briefjes van Vondel aan Huygens bewaard gebleven (gepubliceerd door den heer Unger in Oud'HulInnd 1804, 120 vlgg.): doch hun inhoud is m. i. te onbeduidend om ze te doen gelden als »bewijzen van de vriendschappelijke verhouding" tusschen H. en V.

Sluiten